WAT IS DE WAARDE VAN SOMMIGE RECORDS?
Het verhaal van Niek Flipse over het ZK baan heeft veel losgemaakt. Van mij is men dit soort verhalen gewoon en uiteraard sta ik helemaal achter Niek zijn visie. Zoals aangekondigd heb ik nog een aanvulling. Op 21 januari van dit jaar schreef ik op deze site een verhaaltje over “De kampioen van de doodlopende straat” of te wel overwinningen die eigenlijk niets voorstellen. Dikwijls vanwege gebrek aan tegenstanders, maar hoe zit dat met records?
Vorig weekend verbeterde ik tijdens het ZK in Goes het clubrecord discuswerpen in de categorie M 75 en vrijdag tijdens Goes on Track ( leuke wedstrijd, maar een verslag laat ik deze keer aan anderen over ) idem bij het speerwerpen, maar wat stelt dat voor? In deze categorie hebben zich bij mijn club nooit atleten serieus met werpnummers bezig gehouden en dan is het verbeteren of vestigen van een clubrecord niet zo moeilijk. Voor een ZR moet ik mijn afstanden bijna verdubbelen en dus heeft zo’n clubrecord niet veel waarde.
Leuk voor mij en dat geldt voor veel andere records bij de masters, maar het niveau van de atletiek in Zeeland is er niet mee geholpen. Die records verbeterende masters zijn voor de jongeren misschien wel een voorbeeld en stimulans om meer werk te maken van hun progressie. Gelukkig verbeteren ze wel veel persoonlijke records, maar hoe staan die in verhouding tot wat hun leeftijdsgenoten in het verleden presteerden. Pak nu een winnende tijd van 12.58 sec op de 100 meter bij de jongens U 16. Voor nu behoorlijk, maar op de ranglijst allertijden bij de U 16 heeft de snelste 11.24 sec en blijft de 10e ook nog ruim onder de 12. De recentste prestatie in deze top 10 is van 2011.
Laten we eens kijken naar de absolute Zeeuwse records op de baan bij de vrouwen en de mannen. Op de individuele nummers zijn de meeste records behoorlijk oud. Bij de mannen is alleen het ZR op de 1500 meter recent, namelijk uit 2021. Bij de vrouwen zijn er dit jaar 2 Zeeuwse records verbeterd, maar dat is op een onderdeel dat vroeger bij de vrouwen niet op het programma stond of op een incourant nummer. Andere records de laatste 5 jaar bij de vrouwen ook op dit soort nummers, zoals polsstokhoog en kogelslingeren.
De jeugd heeft de toekomst, maar verbeteren die wel records? Bovenstaand voorbeeld van de 100 meter jongens U 16 belooft in ieder geval niet veel goeds. En dat klopt. Ik heb alle lijstjes vanaf de U 8 t/m U 20 nagekeken en dan zie ik dit jaar een paar records. Ook hier weer vooral op nummers, die er vroeger voor deze categorieën niet waren. Dat geldt ook voor recente verbeteringen vanaf 2020. Bovendien gaat het steeds om dezelfde 5 namen. Afwachten of zij het de komende jaren waar kunnen maken.
Even terug naar het ZK van 16 augustus. Niek Flipse lette speciaal op 1 jonge atleet, die de laatste tijd veel persoonlijke records verbetert en behoorlijk fanatiek overal aan wedstrijden meedoet. De juiste instelling dus en de atleet veroverde inderdaad titels en ereplaatsen. Toch komt de atleet met deze prestaties maar 1 x voor in de Zeeuwse ranglijsten allertijden en zelfs bij de club is een 3e plek op die eeuwige bestenlijsten het hoogste. Het is dus te vroeg om te kunnen spreken over een talent. Laat atleten van die leeftijd dus lekker sporten, maar ga ze in verslagen niet de hemel in prijzen. Misschien komen ze er dan.
Voor veel anderen is er echter helemaal geen uitzicht om de prestaties uit het verleden te benaderen. Soms ziet het er ook allemaal een beetje onbeholpen uit. Dat bij een sprint de start belangrijk is, staat buiten kijf. Ik zie echter atleten goed uit de blokken komen, maar vervolgens staan ze bijna stil en een sprint hebben ze gewoon niet in de benen. Moet je bij deze jeugd uren training besteden aan starten, coördinatieoefeningen en andere “flauwekul”? Dat kan bij bewezen aanleg altijd nog. Zorg eerst voor voldoende loopvermogen. Met eenvoudige spelletjes zoals ratten of raven train je reactie – en sprintsnelheid.
Leer je sprinten door tijdens elke wedstrijd die je meedoet ( hoeveel zijn dat er per jaar? ) 1 keer een 60, 80 of 100 meter te lopen en de rest van de dag misschien nog te starten op een 600/1000 meter en een paar technische nummers. Zorg als organisatie voor minder nummers, maar wel dat er 2 of 3 keer gesprint kan worden. Als C junior liep ik in de jaren 60 soms 3 x een 80 meter op 1 middag: serie, halve finale en finale. Je had toen ook afvallers, die soms maar 1 keer liepen. Je kunt echter constructies bedenken dat iedereen wel meerdere malen op de sprint in actie komt tijdens dezelfde wedstrijd.
Zomaar een paar voorbeelden om tot een andere aanpak te komen. Misschien moet je tot een bepaalde leeftijd de “klok” bij loopwedstrijden gewoon vergeten. Sprinten met staande start op een grasveld of schoolplein over onbekende afstand met tweetallen: de winnaars gaan door, de rest in de herkansing of de verliezersronde en op den duur heb je rangschikking. Je loopt zo om de ander te verslaan in een duel man tegen man of vrouw tegen vrouw.
Bij trainingen in een gymzaaltje zweerden we bij een eenvoudige hindernisbaan, waarbij uithouding, kracht en coördinatie gecombineerd werd. Of als het iets statischer uitgevoerd werd, noemden we het circuittraining: 1 minuut dezelfde oefening afgewisseld met 1 minuut pauze en dan naar het volgende toestel.
Bij de werpnummers beginnen we met bal – en vortexwerpen en niet gelijk met nummers waar techniek en kracht wordt vereist. Als tussenstap lijkt me medicijnbal stoten met 2 handen een goed alternatief. En een vlekkeloze aanloop bij het ver – en hoogspringen heeft weinig zin als je geen sprongkracht hebt. Oefen dat dus ook spelenderwijs. De sprongoefeningen bij Adrie de Munck in de duinen waren altijd geweldig. Kortom trainingen en wedstrijden moeten anders om tot betere resultaten te komen. Soms worden oudere trainers van stal gehaald om dit te bereiken, maar alleen luisteren naar hun adviezen kan al een eerste stap zijn. Foto AV’56: Prima start, maar de rest ontbreekt dikwijls nog.

Recente reacties