ZEEUWSE ATLETIEK deel 2: DE STELLINGEN
Atletiek zag er tot ongeveer 2000 toch iets anders uit dan nu. Mijn stellingen gaan hierover, omdat het niveau daarvoor hoger was. Of de stellingen in deze tijd nog wenselijk en haalbaar zijn, laat ik even in het midden. Het gaat om het idee en natuurlijk komt er meer bij kijken. Van de 3 stellingen zijn er 2 hoofdzakelijk gebaseerd op het lopen van lange afstanden, omdat ik daar het meeste van weet. Of het ook geldt voor de korte afstanden en technische nummers hoor ik graag van ingewijden. Maar als er in de zomer meer baanwedstrijden ( en in de winter indoor ) in de regio zijn, zal dat zeker helpen om meer atleten aan het sprinten, springen en werpen te krijgen.
ALLEEN LEDEN VAN EEN ATLETIEKCLUB MOGEN MEEDOEN AAN WEDSTRIJDEN.
Tot ongeveer het jaar 2000 was dit bij de meeste wedstrijden zo. Ook op de weg en de cross. Voor niet leden was er dikwijls een aparte prestatieloop zonder uitslag. Door teruglopende deelname en gemak liep alles op den duur samen en nog een tijdje later kwam iedereen in de uitslag. Maar wat is hierdoor de invloed op de prestaties? In de jaren 70 en begin 80 liepen bijna alle Zeeuwse hardlopers van een club de 10 km binnen de 40 minuten. Bij stratenlopen over ongeveer die afstand was je met 41 minuten zo goed als laatste. Alleen “veteraan” Bertus Walker was achter je. Laatst worden vindt niemand leuk, dus trainde iedereen om beter te worden. Toen de niet leden mee mochten doen, waren daar ook veel lopers bij met tijden tussen 42 en 50 minuten. De behoefte bij wedstrijdatleten om sneller te lopen om die laatste plaats te vermijden was er dus niet meer.
In de huidige tijd zijn er bij de leden natuurlijk ook veel lopers met tijden ver boven de 40 minuten. Het aantal veteranen ( nu heet dat masters ) is minstens vertienvoudigd en zij kunnen gewoonweg niet meer sneller. Maar ook bij de jongere lopers zijn tijden onder de 40 minuten over 10 km niet vanzelfsprekend. Zij kunnen echter nog progressie boeken. Wedstrijden met alleen leden zal wel niet meer lukken. Wel pleit ik voor limieten bij wedstrijden over officiële afstanden, dus ook voor leden van een atletiekclub. Het is een stimulans om überhaupt mee te mogen doen en om niet laatste te worden. En om iedereen toch mee te laten doen aan die wedstrijd, kun je werken met een A ( met limiet ) en B ( voor de rest ) race. Dit alles verhoogt het niveau.
VERDEEL HET JAAR IN DUIDELIJKE SEIZOENEN.
Lang was er een duidelijke opsplitsing van de seizoenen. Voor sprinters en technische nummers was er alleen sprake van een indoor – en outdoor seizoen, waarbij indoor op een laag pitje ( in Zeeland 1 wedstrijd ) stond bij gebrek aan accommodaties. Het baanseizoen buiten begon half april en liep tot eind september en de maanden juni, juli en augustus vormden de hoofdmoot met wekelijks wedstrijden. Nu is er in juli en augustus bijna niets.
Wegwedstrijden werden in onze provincie pas begin jaren 70 populair. Ook hoofdzakelijk in de zomer, maar landelijk begon men half maart en het stopte half oktober. In de tussenliggende wintermaanden waren er alleen crossen en relatief korte stratenlopen: in Zeeland de Singelloop, de Boulevardloop toen nog over 3,8 km en de Wallenloop. Wie wedstrijden wilde lopen, moest daar dus aan meedoen en bijna iedereen deed dat. In het voorjaar was er op die manier “honger” naar de langere afstanden en/of de baanwedstrijden. Veel lopers combineerden dat, want de meeste wegwedstrijden waren in een weekend en baanwedstrijden waren er ook op doordeweekse dagen. Het crossen in de winter en de baanwedstrijden in de zomer zorgden voor veel snelheid en dat resulteerde ook in behoorlijke tijden op de weg. Met het huidige aanbod valt de noodzaak om te crossen of op de baan te lopen weg en van alleen halve en hele marathon alsmede allerlei trails word je niet sneller.
LAAT LEDEN PAS TOE VANAF 14 JAAR.
Toen mijn broer en ik begin van de jaren 60 soms meetrainden bij AV’56 konden we nog geen lid worden. In 1963 kon dat pas in het jaar dat je 12 werd en bij de D junioren werd ingedeeld. De categorie “Pupillen” bestond nog niet. Dat kwam later en hoe leuk die wedstrijdjes ook waren, ik heb er altijd met argusogen naar gekeken. Toen de pupillencategorie werd ingevoerd, heb ik begin jaren 70 ook regelmatig zo’n groepje getraind. Van een onderwijzer werd verwacht dat hij dat kon zonder speciale opleiding van de KNAU. Van dat groepje bleven er een paar lid tot in hun seniorentijd met behoorlijke resultaten, maar dat was de verdienste van die atleten zelf en hun trainer van dat moment. Het grootste deel van de pupillen verdwijnt echter al na een paar jaar. Soms zie je ze weer terug als master, maar de atletiek heeft er dus niets aan gehad. Het kost alleen veel energie om trainers te regelen en tegenwoordig moet de jeugdcommissie allerlei andere activiteiten organiseren om ze aan de club te binden.
Ik pleit dus voor een lidmaatschap en officiële wedstrijden vanaf 14 jaar. Misschien zelfs 15 of 16. De kans dat die jonge atleten gemotiveerd zijn en langer bij de club blijven, lijkt me zo groter. Bovendien kun je de trainers van de allerjongsten nu bij oudere groepen inzetten. Geen lid kunnen worden betekent niet dat je als club niets voor deze leeftijden kunt organiseren. Scholierencross, blokmeerkamp op de baan, sommige stratenloopjes en soms een talentendag zijn allemaal mogelijkheden om de jeugd kennis te laten maken met atletiek. Bij zo’n talentendag test je hoe het zit met uithouding, reactiesnelheid, sprongkracht e.d. met het doel om te kijken voor welke atletiekonderdelen ze het geschiktst zijn. Maar dit soort individuele sporten moet je op jonge leeftijd niet stimuleren. Laat ze eerst maar voetballen of zoiets. In de praktijk komen veel goede atleten uit een andere sport.
Misschien zijn deze stellingen een leuke aanleiding voor een discussie, waarbij ik me realiseer dat veel hardlopers/andere atleten het er absoluut mee oneens zijn. Ook over de wetenschappelijke benadering van sport zou ik nog een stelling kunnen maken. Ik vind het namelijk ook opvallend dat de neerwaartse spiraal ongeveer gelijk begon met het op grote schaal gebruiken van een hartslagmeter. “In het rood gaan was bijna verboden”. Reageren kan ( ook op deel 1 ) via jacroose@hetnet.nl. Ik verzamel de reacties en zet ze op de site als deel 3. En wie betere ideeën heeft, kan natuurlijk ook naar ons symposium Toekomst Zeeuwse Atletiek komen op zaterdag 20 december in de Vroone te Kapelle. Alle informatie elders op deze site. Foto: Bertus Walker met startnummer 874 was in de jaren 60 en 70 één van de weinige masters ( toen veteranen ) in het Zeeuwse hardlooppeloton.

Recente reacties