Blog

IS HET VERGELIJKEN VAN PRESTATIES ECHT EEN NADEEL?

In mijn verhaal van zondag 15 maart over de zin en onzin van elektronische tijdwaarneming of ET beweerde ik dat het opmeten van alle prestaties in de atletiek voor – en nadelen heeft. Als nadeel noemde ik het feit dat je prestaties altijd met elkaar kunt vergelijken. Lezers die mij iets beter kennen, hebben misschien gesnapt dat ik dit een beetje ironisch bedoelde.

Want het is natuurlijk alleen een nadeel voor atleten die schijnbaar redelijk tot goed presteren, maar vergeleken met de resultaten van andere generaties helemaal niet zo goed zijn. Bij balsporten kun je die vergelijking niet maken. Een uitslag in het voetbal zegt niets over het niveau van de wedstrijd, de teams en de spelers.

Bij de sport atletiek kun je die vergelijkingen wel maken en ook bij zwemmen, langebaanschaatsen en min of meer ook het wielrennen. Bij dat laatste dan vooral het wielrennen op de baan, want op de weg zijn parcoursen en omstandigheden nooit gelijk. En dan komen we gelijk op een belangrijk punt: bij al deze sporten zijn de prestaties in grote mate verbeterd door beter materiaal en betere banen.

Ard Schenk en Kees Verkerk reden in de jaren 60 en 70 op buitenbanen, hadden geen klapschaatsen en supersnelle pakken en van wetenschappelijke training was toen nog geen sprake. Toch waren het de beste schaatsers ter wereld, maar hun tijden die toen wereldrecords waren, worden nu gemakkelijk door meisjesjunioren gereden. In het wielrennen en bij het zwemmen zien we mede door beter materiaal ook hogere snelheden. Zeker bij het wielrennen kun je je echter afvragen of de Zeeuwse toppers van nu beter zijn dan Jo de Roo, Jan Raas, Cees Bal en Cees Priem. Dan moeten ze nog veel grote koersen winnen. De ontwikkeling in het Zeeuwse zwemmen kan ik eigenlijk niet zo snel vinden of zitten zij in hetzelfde schuitje als de Zeeuwse atletiek.

Want in die atletiek gaat het in de breedte niet geweldig. De absolute top verbetert nog steeds records, maar verder heeft de verbetering van atletiekbanen, schoenen, kleding en trainingsmethoden nog niet veel opgeleverd. In 1965 en 1966 liep ik als junior 600 meterwedstrijden op een sintelbaan met aan mijn voeten spikes waarvan de pinnen 2 cm lang waren. Verder was ik gekleed in een katoenen hemdje en broekje. Meestal liep ik tijden rond de 1.45, maar mijn beste tijd was 1.42 minuten. Ik was daarmee één van de mindere lopers. Niek Flipse liep bijvoorbeeld rond de 1.30 min. Nu hebben we overal kunststofbanen, supermoderne schoenen en idem kleding, maar hoeveel lopers gaan er sneller? En zo kan ik op veel onderdelen van de atletiek voorbeelden geven.

Ik zie bij de jeugd maar een handvol talenten en eigenlijk is dat al jaren zo. We moeten in de Zeeuwse atletiek dus op een andere manier zoeken naar talenten en niet rekenen op de jeugd als kweekvijver. Ga eens kijken bij andere sporten. Ik zie nu bij het hardlopen atleten aan de top, die uit een andere sport komen. Helaas zijn de meesten al een beetje “op leeftijd” en is er dan nog veel progressie. We moeten er dus voor zorgen dat ze de overstap naar de atletiek eerder maken. Werpers zoek je bij voorkeur in sporten waar werpen centraal staat: hand – korf – en basketbal of waar kracht aan te pas komt. Turners of gymnasten zijn sowieso goede springers en dat veel voetballers eigenlijk niet kunnen voetballen, maar wel snel of lang kunnen lopen is al jaren bekend. Voor lang lopen valt er ook bij andere duursporten misschien iets te halen.

Je kunt dat doen met scouts, maar begin eens met het organiseren van talentendagen, waarbij men de onderdelen vrijblijvend kan proberen. Op 20 december 2025 was er een symposium over de toekomst van de Zeeuwse atletiek en bij veel aanwezigen zijn de ogen toen opengegaan ( of waren ze dat al? ). Maar is er sindsdien veel gebeurd om dit te veranderen? Nee, maar we moeten ook niet alles in de schoenen van clubbestuurders en organisaties schuiven. Ambitieuze atleten moeten ook hun “gedrag” veranderen en de hand in eigen boezem steken. Veel hardlopers kiezen nog steeds voor deelname aan loopjes over meestal een incourante of onnauwkeurig gemeten afstand, waar ze in de top 10 kunnen eindigen. Serieuze wedstrijden over exacte courante afstanden waar ze met en tegen elkaar een goede tijd kunnen lopen, laten ze links liggen. Doe dus mee aan de 15 km in Kattendijke op 28 maart, JARO paastrofee op 4 april, de 5 km in Heinkenszand op 15 april  en de baanwedstrijd over 5000 meter met premies op 13 mei in Goes.

Bij het werpen nemen een paar clubs geweldige initiatieven met werpdriekampen, kogelavonden enz. maar voorlopig zie ik vooral deelname van de jongere jeugd en een paar masters. De groep waar het om gaat en dan spreek ik over U18, U20 en senioren ontbreekt. Zijn er niet zoveel werpers in die leeftijd, of zijn er ander obstakels? Zeg dat dan, zodat de organisatie dat kan aanpassen. Maar doe in ieder geval mee. Op 10 april in Zierikzee en 17 april in Goes zijn er weer zulke wedstrijden.

“De beste stuurlui staan aan wal”. Ja ik geef graag en ook dikwijls ongevraagd advies. Gewoon omdat ik vind dat organisaties daar hun voordeel mee kunnen doen. Nee ik hoor niet bij de groep die aan de wal blijft staan. Ik heb dikwijls zelf initiatieven genomen met kleinschalige wedstrijdjes om te laten zien hoe het ook kan. “Geen woorden, maar daden” en dan heb ik het nog niet gehad over de nodige sponsoring. Het is dan aan de clubs en de atleten om er iets mee te doen. Maar ook als dit allemaal stopt, zal men in de atletiek vergelijkingen blijven maken en tot conclusies komen. Foto: een 600 meter op een ouderwetse sintelbaan met antieke spikes en katoenen kleding.